Chinese chauffeur naar de Mandar-Kust
Woensdag 22 mei
In Pinrang is een feest. Een groot feest schijnt het, maar “wij zijn niet uitgenodigd…” zegt Ong. (…)
Donderdag 23 mei
Hij [de Maradija van Tjampalagian] vertelt me dat de Maradija van Tapallang op Balanipa zit en naar huis terug wil, of ik hem mee kan nemen?
Dus in Balanipa even aan en met de Maradija van Tapallang gepraat. Ja, hij wil graag mee. Straks zal Ong hem even halen, als ik in Madjene ben om daar met Maurenbrecher de zaak te bespreken. Het is maar een kilometer of acht. (…)
De Maradija is thuis, maar niemand verwachtte hem, zijn vrouw en kinderen zijn nog in Balanipa en te eten is er nog niets en het is al twee uur. Toch even een kop koffie gedronken en een stuk van de cake die hij op reis meenam en dan begint het te regenen. “Een beetje maar”, zegt Ong. Maar dat beetje wordt heel wat. De lucht klaart niet op. Erdoor maar. Ik trek kousen en schoenen uit, wil die graag drooghouden en in de jeep hou je niet veel droog. Drijfnat worden we.
Vrijdag 24 mei
Dat werkt wonderen; sigaretten in een mooi doosje. Vooruit aan het werk. Alles spant zich in. Ong en de meerijders laden de jeep uit, nemen alles eraf wat eraf kan om minder gewicht te hebben. De mannen plenzen in het water.
Zondag 2 juni
Vanmorgen vroeg op stap gegaan. Om zeven uur vertrokken. Nel, Hamzah en zijn vrouw, Ong als chauffeur en ik. Die Ong is een van de aardigste van onze Chinezen.